Huidige stand
€ 684.449,00

"Ik ben inmiddels 63, maar ik begin nu pas echt te leven"

Harry Simon vertelt zijn aangrijpende levensverhaal

”Eigen schuld, dikke bult”, is vaak de reactie als dak- en thuislozen voorbijkomen. „Ze zullen het er wel naar gemaakt hebben.” Wie het levensverhaal van Harry Simon en zijn vrouw Yvonne hoort, is daarvan voorgoed genezen. Trauma’s dankzij een wrede vader leidden bij hem tot een treurig leven. Toch vloeiden niet alleen daarom tranen. Die waren er ook en vooral vanwege de bevrijding die God uiteindelijk bracht.

 

Op de Bijbelstudie voor dak- en thuislozen ontmoet ik Harry Simon (63) voor het eerst. De kring wordt wekelijks twee keer fysiek gehouden en twee keer online, en wordt voorgezeten door pastoraal werker Teunis Rijneveld, die in dienst is van Stichting Ontmoeting. 
De bijeenkomsten maken deel uit van het werk dat Ontmoeting doet onder dak- en thuislozen in Rotterdam. Daartoe behoort ook de inloop in het Dienstencentrum, dat is ondergebracht in een pand op de hoek van de Matthenesserlaan en de ’s Gravendijkwal. Dak- en thuislozen kunnen er terecht voor een warme douche, een kop koffie, een maaltijd en om er kleren te laten wassen. Intussen zijn hulpverleners er in de weer met het invullen en versturen van documenten en formulieren –nodig voor de aanvraag van een uitkering–, van een identiteitskaart of om huisvesting voor een dakloze te regelen. Dak- en thuislozen kunnen zich er ook aanmelden voor ”dag-activiteiten” als schilderen, koken en computeren. Dat klinkt als lanterfantig bezig-zijn, maar Harry zal me later vertellen hoe belangrijk deze activiteiten zijn geweest bij het weer op de rails krijgen van zijn leven. 
Bijbelstudie
Ook al wordt er geregeld heftig gediscussieerd over vanalles en nog wat, een rustpunt te midden van al die activiteiten is de Bijbelstudie op dinsdagmiddag. Net als de andere deelnemers zit Harry die middag gebogen over zijn Bijbeltje en spelt hij bijna hoorbaar de woorden voor hem. Het gaat dan ook over een thema dat hem moet raken: het oude leven achter je laten en een nieuw begin maken. Als iemand daarover kan meepraten, dan is hij het. 
Dat besef ik pas echt nadat hij zijn levensverhaal heeft gedeeld tijdens een bezoek bij hem en zijn vrouw Yvonne thuis. De twee bewonen sinds kort een appartement in het woon-zorgcentrum Het Hofje van Gerrit de Koker, in de Rotterdamse wijk Kralingen. Ze zijn daarheen verhuisd omdat Yvonne aan een ernstige vorm van oedeem lijdt, waardoor ze afhankelijk is van een rolstoel. Nog niet zolang terug is er bij haar ook borstkanker met uitzaaiingen geconstateerd. Ze spreekt daar die middag openhartig over en zowel zij als Harry laten weten de uitwerking van de behandelingen in Gods hand te hebben gelegd. 
Intussen ontdek ik al luisterend naar Harry’s verhaal hoe oppervlakkig mijn kijk op dak- en thuislozen altijd is geweest. Vanwege het hoge eigenschulddikkebultgehalte ervan. Het drama van Harry’s leven begint niet met het maken van foute keuzes, maar bij een vader die in een Jappenkamp heeft gezeten. Hij heeft er nooit met hem over gepraat, maar Harry is ervan overtuigd dat de gruwelijke dingen die zijn vader meemaakte, de oorzaak waren van zijn latere wangedrag jegens zijn vrouw en kinderen. Ze werden dagelijks door hem gekleineerd en mishandeld.
Waarom? 
„Ik heb het hem meermalen gevraagd: waarom sla je mij, je eigen zoon? En waarom takel je mijn moeder zo toe, je eigen vrouw, hoe kun je dat doen?” Een antwoord daarop kreeg Harry niet. Hij vertelt dat hij ’s nachts, als zijn vader sliep, naar beneden sloop om alleen met zijn moeder in de woonkamer te zijn en met haar te praten. „Heel wat nachten hebben we zo samen gezeten en ons verdriet gedeeld.”
Persoonlijk contact met zijn moeder was er ook op zondag, als ze samen naar de kerk gingen. „Mijn moeder was een gelovige vrouw, mijn vader niet. Hij weigerde dan ook pertinent om ons ’s zondags naar de kerk te rijden, we moesten maar de bus nemen, of de tram.”
Het huiselijk geweld werd door de gezins- en familieleden als een geheim bewaard, slechts af en toe kwam het naarbuiten. Als de buren Harry hadden horen gillen op momenten dat hij werd geslagen. „Als ik dan bij hen kwam vroegen ze wat er was gebeurd.” Of als een arts in het ziekenhuis hem vroeg „waar die blauwe plekken toch vandaan kwamen?”
De dood van zijn moeder was een dramatisch keerpunt in Harry’s leven.
„Toen ze in het ziekenhuis op sterven lag, mocht ik daar niet bij zijn. Ga jij maar buiten staan, kreeg ik te horen. Dat heb ik toen gedaan en vanbuiten heb ik naar haar geroepen: „Mam, ik ben er wel, hoor!” Later vertelde een tante dat mijn moeder het had gehoord.” 
Ook bij de begrafenis mocht Harry niet aanwezig zijn. „’s Avonds ben ik stiekem naar de begraafplaats gegaan en heb ik alsnog een bloemetje op haar graf gelegd.” 
Vergeven
Jaren later volgde een definitief afscheid – van zijn vader. „Ik woonde inmiddels op mezelf toen mijn zus belde: Het gaat niet goed met vader, je moet afscheid van hem nemen”. Met grote tegenzin ging Harry naar het verzorgingstehuis waar zijn vader verbleef. Hij moest niet alleen afscheid nemen, maar zijn vader ook diens wangedrag vergeven, dacht Harry. „Maar hoe doe je dat, vergeven?”
Eenmaal aan het bed van zijn vader wachtte hem een grote verrassing. „Mijn vader pakte mijn arm en vroeg: „Harry, hoe gaat het met jou?”
Ik wist niet wat ik hoorde: zoiets had hij nog nooit tegen me gezegd! Vervolgens vroeg hij of ik hem wilde vergeven en ook daarover was ik stomverbaasd. Ik heb hem gezegd dat ik dat wel wilde doen, waarop hij reageerde met: Dankjewel Harry, ik hoop dat het verder goed met je zal gaan.”
Even later vernam hij van een nachtverpleegkundige wat er was gebeurd. Ze had zijn vader de avond ervoor in zijn kamer aangetroffen: huilend en onrustig ijsberend. „Ik heb zoveel mensen pijn gedaan en nu ik aan het eind van mijn leven ben, vraag ik God of ik bij Hem mag komen en of Hij me alles wil vergeven”. De nachtzuster vertelde dat hij de rest van de nacht op het toilet had doorgebracht, tot God biddend om vergeving.” Dat hij eerst zelf anderen vergeving moest vragen besefte hij maar al te goed. Niet lang na die ontmoeting met zijn zoon is hij overleden, 73 jaar oud. Harry is niet op zijn begrafenis geweest. „Dat kon ik niet aan”.
"Slecht aan toe" 
Met de dood van zijn vader leefde diens traumatische kampverleden verder in de psychische gesteldheid van zijn zoon. „Ik was er slecht aan toe, wist niet wie ik was, had geen idee wat ik verder met mijn leven moest en ik vertrouwde niemand meer.” Met dat laatste werd zijn latere vrouw Yvonne geconfronteerd toen zij in Harry’s leven kwam. „Ik begreep hem wel”, zegt ze. „Als je zo weinig liefde hebt ontvangen, dan vlucht je weg voor iemand die je dat wilt geven. Liefde was voor hem zo overweldigend, dat kon hij niet aan.” Harry beaamt haar woorden. „Ik heb er 6 jaar over gedaan om haar echt te vertrouwen.” 
Yvonne was zelf cliënt bij Ontmoeting toen ze met Harry in aanraking kwam. „Ik zag hem in de nachtopvang, hier in de stad. Hij zat te huilen en ik ben toen naar hem toegegaan.” Harry zegt over dat moment dat hij „compleet was vastgelopen.” Hij vertelt dat hij zijn vaste onderkomen was kwijtgeraakt en sindsdien op straat leefde. „’s Nachts sliep ik in de nachtopvang.”  Yvonne glimlacht. „Dat hij daar zat te huilen, vond ik zo bijzonder, zo mannelijk, het was precies wat me in hem aantrok.” Harry herinnert zich nog enkele cadeautjes die hij van haar kreeg. „Dat was bijzonder, ik kreeg nooit cadeautjes. Een keer kreeg ik als kind van iemand een speelgoedhelikopter. Geef hier, zei mijn vader, en direct daarop smeet hij het tegen de muur kapot. Daar ga je maar voor werken, snauwde hij”. 
Twee jaar lang, van 2000 tot 2002 zwierf Harry door Nederland en trok hij van het ene naar het andere opvanghuis. „Dan klopte ik ergens aan en vertelde ik eerlijk dat ik geen geld had om te betalen. Toch lieten ze me dan meestal binnen.” 
Geiten voeren
Van grote betekenis werd een kort verblijf in een opvanghuis van Ontmoeting in Hummelo. Daar had hij naar eigen zeggen een bijzondere ervaring. „Op een gegeven moment moest ik buiten de geiten gaan voeren. Er was één geit die steeds naar me toe kwam. Ook als ik wegliep, kwam die telkens achter me aan.” Harry zag het als een spreken van God. „Ik dacht: Is dat ook niet wat de Heere Jezus telkens doet? Als ik wegloop, dat Hij dan als de Goede Herder achter mij aankomt? Toen dát tot me doordrong, ben ik tot God gaan bidden en heb ik daar keihard zitten huilen.”
In 2003 kwam Harry op het dienstencentrum van Ontmoeting in Rotterdam aanraking met pastoraal werker Teunis Rijneveld. Harry en zijn vrouw noemen Rijneveld „hun geestelijke vader” en prijzen hem voor wat hij in praktische zin voor hen heeft betekend – als eerste noemt Yvonne in dit verband zijn hulp bij de sanering van schulden. 
Er gebeurde meer. Harry: „Ik zei tegen Teunis: Wat moet ik nu? Ik ben nog steeds opzoek naar wie ik ben, en wat ik waard ben. „Jou daarvan genezen”, zo was Teunis’ reactie, „dat kan alleen de Heere God. Hij is jouw schepper. Als je op Hem vertrouwt en oprecht in Hem gelooft, dan zál Hij je helpen. Maar dat gebeurt wel op Zijn tijd.” 
Harry ging meedraaien met de Bijbelstudie voor dak- en thuislozen, en alleen al zijn aanwezigheid daar was voor hem een openbaring. „Toen ik me meldde, groette iedereen zo vriendelijk dat ik dacht: Hoe kan dit? Deze mensen kennen mij niet eens!” Teunis legde hem het graag uit. „Zij zijn nu je nieuwe broers en zussen, ze zijn jouw  familie in geestelijke zin. Je staat er voortaan niet meer alleen voor.” 
Schilderij
Op het dienstencentrum hadden ze meer voor hem in petto. Harry’s zelfvertrouwen en eigenwaarde bevonden zich immers nog ver beneden het vriespunt. „Ik kan niets, ben nergens goed in”, klonk het steevast in zijn hoofd en daarmee echoode de boodschap van zijn vader hardnekkig door in zijn leventje.
Door te gaan schilderen tijdens de dagactiviteit in het dienstencentrum begon dat vileine stemmetje langzaam te verstommen. „Ik maakte een schilderij van Adam en Eva in het paradijs en toen ik het af had, reageerde Teunis verrast: „Heb jij dat geschilderd? God heeft jou een prachtig talent gegeven!”
Daarna groeide er stap voor stap iets van zelfvertrouwen. Harry werd uitgedaagd om Indisch te koken voor een groep dak- en thuislozen en ook dat leverde hem dankbare afnemers op en: een groot applaus. Voor iemand die jarenlang zo gekleineerd is geweest een unieke ervaring. Ook als muzikant –hij speelt verdienstelijk gitaar– wordt Harry ingezet, bijvoorbeeld bij de muzikale begeleiding tijdens de evangelisatiedienst van Ontmoeting. En hij vindt betaald werk: als chauffeur bij de afdeling boodschappenvervoer van een landelijke grootgrutter.
Harry zal de laatste zijn om zichzelf op de borst te slaan nu zijn leven weer op de rails staat. „De Bijbel is mijn redding geweest en daarom ik ben de Heere God dankbaar dat Hij mij het leven heeft teruggegeven. Ik ben inmiddels 63, maar pas nú begin ik echt te leven.”

 

Help mee: opnieuw beginnen
Doneren via de bank? IBAN: NL67 INGB 0002 9707 00 | Apeldoorn
Help mee: opnieuw beginnen
Doneren via de bank? IBAN: NL67 INGB 0002 9707 00 | Apeldoorn

Contact

RD-actie:
055 - 5390 222
Contactpersoon:
Ab Jansen | 06 536 55 651
ajansen@refdag.nl

Doneren

IBANnr: NL67 INGB 0002 9707 00
T.n.v. RD-actie te Apeldoorn.

KvK: 41040291

Voorgaande acties

Moldavië - 2019
India - 2018
Birma - 2017
Uganda - 2016
Kaukasus - 2015
Bangladesh - 2014
Zuid-Sudan - 2013

Jaarlijkse actie van